Dag en dauw

Het is een heel gewone ochtend in een vallei in Ierland. De rivier de Blackwater kabbelt voort onder een dun laagje mist. Het is een ochtend zoals ik er al wel meer heb meegemaakt in St. Mary’s Abbey. Om vier uur ben ik wakker geworden van de kerkklokken. Het geluid is voor de zusters het teken om zich naar de kerk te haasten voor hun eerste gebedsdienst van de dag. Er zullen er nog zes volgen.

Vroomheid

Zoals elke dag speel ik heel kort met de gedachte om me bij de nachtwake van de zusters aan te sluiten. Toch wint ook deze keer de slaap van de vroomheid. Ik draai me om en word pas weer wakker wanneer de kerkklokken luiden voor het morgengebed. Half acht. Dat past beter bij mijn niveau van vroomheid.

De zusters hebben me bij aankomst laten weten dat ik welkom ben om mee te doen in hun ritme, maar tegelijk drukten ze me op het hart om vooral ook mijn eigen ritme te vinden. ‘Je hoeft niet om vier uur ’s ochtends op te staan,’ zo zegt zuster Michele tegen me. ‘Wij staan zo vroeg op, omdat het onze taak is.’ Ze legt me uit dat de zusters het als hun verantwoordelijkheid zien om ‘s nachts te bidden voor hen die in de nacht aan het werk zijn, voor hen die bang zijn, en voor hen die door zorgen of ziekte niet kunnen slapen. ‘Als jij lekker slaapt,’ besluit ze, ‘dan verhoor jij ons gebed.’

Drie gangen

En dus word ik elke dag om vier uur wakker van de kerkklokken die vlak naast mijn raam geluid worden, en elke keer draai ik me nog maar even om. Wie had dat gedacht, dat ik door te slapen er nog eens voor zou zorgen dat een gebed verhoord wordt.

Na het morgengebed – dat ik wel bijwoon – komt een andere zuster de kamer binnen waar de gasten eten. Ik ben de enige ontbijter die dag. De zuster kijkt geconcentreerd naar de broodplank en vervolgens naar mijn lege bord. ‘Je hebt één sneetje op,’ constateert ze. Ik weet me te verdedigen door naar de fruitschaal te wijzen. ‘En een appel.’ Ze neemt er genoegen mee. Ik ook – ik weet inmiddels wat me met de lunch te wachten staat. De lunch wordt hier niet voor niets dinner genoemd. Het is de grootste maaltijd van de dag, en ik ben steeds de rest van de dag bezig met het verwerken van de drie riante gangen die ik voorgeschoteld krijg.

Bidden en werken

Het leven in het klooster is gestructureerd en overzichtelijk. De zusters runnen hun eigen boerderij en voorzien zo zelf in hun levensonderhoud. De vrouwen zijn oersterk. Een non van tachtig jaar oud rijdt het liefst rond op de trekker, terwijl de ander de moestuin schoffelt. Elke zuster draagt een pager bij zich; zodra het tijd is voor gebed, klinkt er overal op het terrein gepiep en haasten de zusters zich naar de kerk. Ze bidden zeven keer per dag, zeven dagen per week.

De dag bestaat uit bidden en werken, werken en bidden. Na het avondgebed, zo rond negen uur ’s avonds, gaan de zusters vlug naar bed. Zo kunnen ze de volgende dag om vier uur weer uitgerust beginnen aan hun nachtwake.

Lekker slapen

Soms, als ik thuis ’s nachts wakker lig, denk ik even aan de zusters daar in die groene vallei. Zij staan voor dag en dauw op om te bidden. Niet voor zichzelf, maar voor al die mensen die om wat voor reden dan ook niet kunnen slapen. De zusters geloven in hun taak – een taak waar ze zich toe geroepen voelen en waar ze vol overtuiging voor hebben gekozen.

Ik draai me nog maar een keer om en voel een nieuw soort dankbaarheid. Dankbaar dat er zusters zijn die niet alleen vroom en kalm zijn, maar ook sterk en slagvaardig. Dankbaar dat ik wanneer ik dat wil zomaar bij hen kan logeren. Dankbaar dat ik thuis naast mijn slaapkamerraam geen kerkklokken heb die om vier uur ’s ochtends minutenlang luiden. Dat slaapt toch wel zo lekker.

Nieuwsgierig naar St. Mary’s Abbey? Zie www.glencairnabbey.org.

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedinmail