Vol van hoop

“Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw.” Voor de één een heel ontspannen en hoopgevende gedachte, voor de ander pure frustratie.

Even voelen

Maandenlang deed ik het elke ochtend, in de ruimte tussen bed en muur. Ik stapte letterlijk met mijn verkeerde been uit bed, verplaatste mijn gewicht naar dat been en zakte lichtjes door mijn geblesseerde knie om hem te testen. Het was net zo nutteloos als elke dag op de weegschaal gaan staan of extra vaak op het knopje drukken bij het stoplicht. Alsof het ook maar iets uitmaakt, alsof er ook maar een kans is dat je daarmee sneller je doel bereikt. Toch kon ik het niet laten. “Even voelen, misschien is het vandaag wel over,” zei een stemmetje in mijn hoofd.

Dit soort kniepijn kan trouwens ook chronisch worden,” zei een andere stem. Het was die van de fysiotherapeut, die wonderbaarlijk weinig vooruitgang kon bespeuren in de loop van de weken. Hij had al eens laten vallen dat het herstel maanden zou kunnen gaan duren, maar met zijn laatste uitspraak veroorzaakte hij een lichte golf van paniek. Ik begon het al aardig zat te worden om zo min mogelijk te fietsen en te lopen, om steeds weer met mijn been omhoog te zitten en om te voelen hoe mijn fitheid met sprongen achteruitging (daarbij laat ik de sprongen in mijn humeur dan nog even buiten beschouwing).

Slakkentempo

En nu zou ik er dus misschien maar aan moeten gaan wennen dat de pijn überhaupt niet over zou gaan? Stil maar, wacht maar? In mijn hoofd maakte ik ijverig lijstjes van wat ik dan allemaal niet meer, of in ieder geval niet meer pijnvrij, zou kunnen doen. Tegelijk stond ik elke ochtend naast mijn bed op één been te wiebelen, vol van hoop. “Even voelen, misschien is het vandaag wel over.”

Na maanden stilzitten en braaf oefeningen doen had ik op een zekere ochtend dan toch het idee dat mijn knie beter voelde. Niet zonder pijn, maar wel minder pijn. Zo’n goede dag werd dan weer gevolgd door drie dagen waarop ik weer terug bij af leek, maar die ene goede dag hield de hoop levend. Langzaamaan kwamen de goede dagen in de meerderheid en kon ik weer eens wat gaan uitproberen. Kleine stukjes wandelen, een paar honderd meter joggen. “Een slakkentempo is ook een tempo,” zei een stemmetje in mijn hoofd.

Rustig wachten

Vier en een halve maand na de Halve van Nijkerk, waarbij ik mijn knieblessure voor het eerst voelde, kan ik weer hardlopen, fietsen en wandelen. Ik houd me nóg braver aan alle regeltjes die er zijn over rustig opbouwen en heb mezelf plechtig beloofd nooit meer ellenlange stukken op asfalt te rennen.

Rustig wachten – nou ja, rustig… – bleek in dit geval wel onderdeel van de oplossing te zijn. Maar of dat voor het grotere geheel ook geldt? Moeten we gewoon maar stilletjes wachten tot er een einde komt aan alle ellende van deze wereld? Aan atoombommenpraat, een aarde die naar de knoppen gaat, aan honger, aan mensen die wél moeten zien te leven met chronische pijn? Misschien is het ook hier het beste om klein te beginnen en soms eens te proberen een slechte dag of daad om te buigen naar een goede. Om in ieder geval de hoop levend te houden. Wiebelend op één been of met beide benen op de grond, maar steeds met de gedachte: “Misschien vandaag?”

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedinmail