Dubbele dorst

Veertigdagentijd – week 5, dag 1

28 Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ 29 Er stond daar een vat zure wijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond.
(Johannes 19:28-29)

Het vijfde kruiswoord is kort en duidelijk: “Ik heb dorst” of, in andere vertalingen, “Mij dorst”. De zure wijn die Jezus vervolgens te drinken krijgt is de drank die Romeinse soldaten gewend zijn te drinken. Met behulp van een stengel en een spons krijgt Jezus een paar slokjes binnen.

Een ander drankje

In Matteüs en Marcus lezen we dat Jezus eerder al drinken aangeboden kreeg, vlak voordat hij gekruisigd werd, maar toen weigerde hij juist:

24 Ze gaven Jezus met gal vermengde wijn, maar toen hij die geproefd had, weigerde hij ervan te drinken.
(Matteüs 27:34)

23 Ze wilden hem met mirre vermengde wijn geven, maar hij nam die niet aan.
(Marcus 15:22-23)

Nou ja… of het echt drinken was dat ze hem aanboden – het goedje was meer een soort primitief verdovingsmiddel om de pijn te verzachten. Maar Jezus doet niet aan doping. Hij kiest ervoor om volledig helder te blijven. Het drankje had zijn lijden nog iets draaglijker kunnen maken, maar Jezus wil aan het kruis alles bewust meemaken: de spottende mensen om hem heen, de mannen die naast hem hangen, de aanwezigheid van Maria en Johannes, de eenzaamheid tijdens de drie uren van duisternis, en nu de dorst. Waarom? Jezus kan niet gedrogeerd zijn terwijl hij een van de belangrijkste onderdelen van zijn mens-zijn uitvoert.

Onderdeel van het plan

Ook de dorst die Jezus nu voelt hoort bij dat mens-zijn. En het hoort bij de dingen die moeten gebeuren. Niet voor niets staat er expliciet “om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan”. Waarschijnlijk verwijst dit naar Psalm 69:

22 Nee, ze mengden gif door mijn eten
en lesten mijn dorst met azijn.
(Psalm 69:12)

Daarnaast komt Jezus’ “Ik heb dorst” overeen met Psalm 22, de psalm hij in zijn vierde kruiswoord al aanhaalde:

16 Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
u legt mij neer in het stof van de dood.
(Psalm 22:16)

Jezus deed gedurende zijn leven veel dingen die ervoor zorgden dat passages uit het Oude Testament in vervulling gingen. Aan het kruis gaat dit dus ‘gewoon’ door. Jezus is zich tot het einde toe bewust van zijn taak en van het hogere doel van zijn leven en sterven. Zijn dorst past in dat grote plan. Niet alleen zijn letterlijke, fysieke dorst zoals voorzegd in de Psalmen, maar ook zijn figuurlijke dorst.

Dorst naar de Vader

Jezus heeft namelijk zowel dorst naar drinken als dorst naar zijn Vader. Hij heeft net zijn verlatenheid uitgeschreeuwd naar God. Misschien is hij moe van alle duisternis en eenzaamheid, van de kwelling dat hij gescheiden is van zijn Vader. Hij wil weer de eenheid voelen die er al die tijd is geweest. Maar het is nog niet zo ver. Jezus moet wachten tot het volledige plan is uitgevoerd.

En daarom vraagt hij, heel menselijk, om een slokje drinken. Alleen zo kan hij ook de laatste woorden uitspreken die uitgesproken moeten worden. Hij zal zijn taak volbrengen en zich herenigen met zijn Vader. Pas dan is al zijn dorst gelest.


Dit blog maakt deel uit van mijn veertigdagenproject over de zeven kruiswoorden.

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *