Vertrouwde woorden

Veertigdagentijd – week 4, dag 3

Met zijn uitroep “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” citeert Jezus Psalm 22:2. Jezus was een jood, een rabbi, die naar goed joods gebruik veel teksten uit zijn hoofd kende. Het zou kunnen dat hij zich daardoor in zijn ellendige situatie kon vastklampen aan vertrouwde woorden uit het Oude Testament. Woorden zoals Psalm 22: een psalm waarin een rechtvaardig mens klaagt over zijn lijden.

Tweeduizend jaar later kunnen wij nog steeds de psalm lezen waar Jezus aan het kruis uit citeert. Sommige verzen in deze psalm (hieronder dikgedrukt) zijn zelfs zo van toepassing op Jezus’ lijden dat ze door een omstander op Golgotha geschreven hadden kunnen zijn. Misschien dacht Jezus daar ook aan. Misschien lezen wij vandaag wel woorden die door Jezus’ gedachten gingen in de laatste uren voor zijn dood.

221 Voor de koorleider. Op de wijs van De hinde van de dageraad. Een psalm van David.

2 Mijn God, mijn God,
waarom hebt u mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit.
3 ‘Mijn God!’ roep ik
overdag, en u antwoordt niet,
’s nachts, en ik vind geen rust.

4 U bent de Heilige,
die op Israëls lofzangen troont.
5 Op u hebben onze voorouders vertrouwd;
zij hebben vertrouwd en u verloste hen,
6 tot u geroepen en zij ontkwamen,
op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd.

7 Maar ik ben een worm en geen mens,
door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
8 Allen die mij zien, bespotten mij,
ze schudden meewarig het hoofd:
9 ‘Wend je tot de HEER! Laat hij je verlossen,
laat hij je bevrijden, hij houdt toch van je?’

10 U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald,
mij aan haar borsten toevertrouwd,
11 bij mijn geboorte vingen uw handen mij op,
van de moederschoot af bent u mijn God.

12 Blijf dan niet ver van mij,
want de nood is nabij
en er is niemand die helpt.
13 Een troep stieren staat om mij heen,
buffels van Basan omsingelen mij,
14 roofzuchtige, brullende leeuwen
sperren hun muil naar mij open.

15 Als water ben ik uitgegoten,
mijn gebeente valt uiteen,

mijn hart is als was,
het smelt in mijn lijf.
16 Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
u legt mij neer in het stof van de dood.

17 Honden staan om mij heen,
een woeste bende sluit mij in,

zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
18 Ik kan al mijn beenderen tellen.

Zij kijken vol leedvermaak toe,
19 verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot om mijn mantel.

(Voor de rest van de Psalm, klik hier)


Dit blog maakt deel uit van mijn veertigdagenproject over de zeven kruiswoorden.

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *