De leerling van wie hij hield

Veertigdagentijd – week 3, dag 2

Een fragment uit een roman over Jezus’ leven, beschreven vanuit het perspectief van Johannes – “de leerling van wie hij hield”.

En dan kijkt Jezus mij rechtstreeks aan. Ik, ik miserabel mens die ik ben – ik word gezien! Zo vreemd, ik draai het om: ik zie mezelf zoals hij me moet zien, waardeloos, onhandig, grienend –
Maar wat ik hoor, of denk te horen, is een rustig bevel. ‘Breng mijn moeder hier,’ fluistert Jezus.
Zijn ogen gaan omhoog en kijken een stukje verder, achter me. Ik draai me om en daar is Maria, blootshoofds, hoekig, als in barnsteen gevat, gevangen en gefixeerd als midden in een val.
Ik gehoorzaam. Ik kom overeind en loop de heuvel af en leg mijn arm om zijn moeder heen. Ik voel het zachte vlees van haar schouder en neem haar mee omhoog deze heuvel op, naar het middelste kruis. Ze loopt werktuiglijk mee. Haar gezichtsuitdrukking verandert niet. Ze staart naar Jezus. Ook mijn gezicht is nog hetzelfde. Ik heb de hik gekregen van mijn snikken. Maria is zo droog als leer. Ik drijf.
We staan voor Jezus, delen mijn arm. En Maria fluistert: ‘Yeshi.’
Ze heeft zich niet gewassen. Ik kan haar ruiken. Maar ben ik zelf niet veel afschuwelijker?
Ze fluistert ‘Yeshi,’ en ik zweer dat Jezus pogingen doet om te glimlachen. Zijn hoofd is maar een centimeter of twintig boven het mijne. Zijn roestkleurige ogen bestuderen zijn moeder, schuiven stukje bij beetje omhoog naar haar gezicht; en ik kan voelen op welk deel van Maria’s lichaam zijn blik rust, want dat huivert.
Jezus spreekt tot Maria.
‘Moeder.’
Hij haalt adem. Zijn ogen gaan even naar mij, dan weer terug naar haar: ‘Dat is uw zoon.’
Ze hoort hem. Ze kijkt naar me. In een flits ben ik weer gezien en niet tot tranen toe bedroefd. Maria kijkt weer naar Jezus. Hij biedt haar een trage knik, en precies even traag laat ze het gewicht van haar lichaam tegen me aan leunen. Ik neem het aan, dankbaar. Mijn Heer heeft zijn moeder een andere zoon geschonken. Hoewel haar schoot altijd de herinnering aan hem zal blijven dragen, hebben haar gewicht en leeftijd nu mij als zoon.
Hij wil ook niet dat ik als wees achterblijf.
‘Vriend,’ zegt hij. Hij tilt zijn dunne lichaam op om lucht in te zuigen. Hij spreekt mij aan. ‘Dat is je moeder.’
En Maria’s arm komt omhoog en wordt om mijn middel geslagen. We zeggen geen van beiden een woord. Ik had het mis met haar geur. Die is niet opdringerig. Die is vertrouwd in mijn neus, brooddeeg en kruiden en de zware lucht van een slaapkamer. Ik ben niet opgehouden met snikken, maar wel heeft mijn gezicht een andere uitdrukking gekregen. We zijn familie. Het is middag en we zijn niet eenzaam.
De hele dag weet ik al dat hij zal sterven. Die toekomst zag ik voor me met nuchtere vrees. Maar dit had ik niet voorzien, zoveel lieflijkheid, zoveel genade op genade.

(Uit: Walter Wangerin – Jezus, het leven)


Dit blog maakt deel uit van mijn veertigdagenproject over de zeven kruiswoorden.

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *